Rond 1900 werd er een belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van het opnemen en weergeven van geluid. Berliner, een naar Amerika geïmmigreerde Duitser, verving de wasrol van de Edison fonograaf door een platte schijf met een diameter van 17 cm.

Hij ontwikkelde ook een bijzonder proces om de groef in de plaat aan te brengen (snijden).  Edison sneed een groef met putjes (hill and dale) maar Berliner wist de oneffenheid die ontstaat door geluidstrilling in de zijkant van de groef aan te brengen. Op dat laatste systeem is de verdere ontwikkeling van de grammofoonplaat gebaseerd.

Aanvankelijk werd de groef van binnen naar buiten gesneden en werd de plaat aan één zijde gegroefd. Dat veranderde al snel en werd van buiten naar binnen en op beide zijden van de plaat gesneden. Berliner is ook de uitvinder van de reproductie van grammofoonplaten. Hij maakte als eerste een mal (moederplaat) waarmee platen werden geperst.

De handmatige aandrijving van Edison werd vervangen door een veer waardoor de snelheid veel constanter werd.

Er werd in die tijd veel geëxperimenteerd met materialen om de kwaliteit van het geluid te verbeteren en de ruis van de plaat te verminderen. Uiteindelijk kwam men uit bij schellak (vaak wordt dit bakeliet genoemd maar dat is een foutieve benaming).

Het toerental en de diameter van de plaat varieerde. Er was nog geen standaard bepaald en elke fabrikant ontwikkelde zijn eigen formaten. Oude schellak platen zijn dan ook te vinden in tal van afmetingen.

In de loop der jaren, maar vooral na de eerste wereldoorlog, ontwikkelde de grammofoonplaat zich snel. Het toerental werd gestandaardiseerd op 78 toeren. Waarom 78 en geen 70 of 80 weet ik niet. In sommige artikelen lees ik dat dit een relatie heeft met de netfrequentie van 50 Hz. in Europa en 60 Hz. in Amerika. Aangezien ten tijde van de standaardisatie van de toerental er voornamelijk met veergrammofoons werd gewerkt, lijkt dit niet echt voor de hand te liggen.

 

groegbreedte

De groefbreedte is een van de aspecten waarop ontwikkelingen hebben plaats gevonden. Groefbreedte is een van de bepalende factoren voor de hoeveelheid muziek die op een plaat past.

De groefbreedte bedraagt 0,0025 tot 0,0045, De groefafstand (groef + wal) bedraagt voor 78 toerenplaten 0,0050 tot 0,0090 mm. In combinatie met de plaatdiameter  van 10 inch (25 cm.) en 12 inch (30 cm) kon je ca. 3 minuten muziek op één plaatzijde beluisteren. Dit toerental heeft het volgehouden tot eind van de veertiger jaren. Tot die periode werd er wel geexperimenteerd met andere toerentallen (voornamelijk 33 1/3).

 

 

 

 

 

 

 

 

   
© ALLROUNDER